woensdag 8 januari 2014

Wijs op woensdag: Bufferen

Om de week op woensdag schrijft gastblogger Pennie Wijs een stuk op Spaarcentje:


Pas las ik dat één op de drie Nederlanders geen financiële buffer heeft. Slechts 21 procent heeft meer dan €5000,-. Ik viel bijna van mijn stoel van verbazing. Want onwillekeurig denk je – ik tenminste wel – dat de meeste mensen zijn als jijzelf. En nu las ik dat ik juist tot een kleine minderheid behoorde.

Voor mij is bufferen een levenshouding. Ik bufferde al toen ik nog maar een kleuter was. Onze buurman werkte bij een snoepfabriek, dus wij kregen wel eens wat. Soms zelfs twéé snoepjes tegelijk. Ik koos altijd voor droptoffees. Nu ik dit opschrijf, loopt het water me weer in de mond. Ik ruik ze nog, ik proef ze nog, ik voel het kleverige papiertje nog. Dól was ik op die toffees. Maar dacht je dat ik er ooit twee tegelijk zou opeten? Echt niet. Ik bewaarde er altijd eentje voor later. Als buffer. Een toffee in je mond was lekker, maar een in je zak bijna nog lekkerder. Het idee dat je die kon nemen wanneer je maar wilde. Heerlijk, dat gevoel van controle, macht, ja van veiligheid.

En zo ging het later ook met geld. Ik kan me niet heugen dat ik ooit mijn zakgeld tot de laatste cent heb gespendeerd. Dat was niet omdat ik véél kreeg, integendeel. Toen ik als puber vakantiebaantjes kreeg, zag ik bij mijn ouders wel eens verbazing over mijn buffergedrag. Wat er ook voor onverwachts gebeurde, ik had altijd wel financiële reserves.

Bij mijn eerste serieuze baan ging er eens iets mis bij de administratie, waardoor het salaris niet op tijd kon worden uitbetaald aan het personeel. Het leek wel of er een volksopstand uitbrak! Hoe kon dat nou, dit pikte men niet, hoe moesten we nu verder leven? Ik was nog piepjong en keek verbluft toe hoe volwassen meneren, met verantwoordelijke banen en complete gezinnen thuis, mannen tegen wie ik huizenhoog opkeek, benauwd werden van het idee dat hun salaris later gestort zou worden. Konden ze het echt geen paar weken langer uitzingen? Mijn chef kwam bezorgd vragen of ik het wel zou redden. Eventueel moest er iets geregeld worden met een voorschot. Ik wuifde zijn zorgen luchtig weg. Welnee, mijn salaris mochten ze best later storten als het zo eens uitkwam, hoor. Die blik in zijn ogen! Nog net op tijd kwam ik bij zinnen. ‘Uiteraard dan wel met een redelijke rente’, riep ik hem nog gauw na.

Het is geen verdienste, het gaat vanzelf, bufferen is gewoon mijn tweede natuur. Ik doe het niet alleen met geld, maar op alle gebieden. Van mijn lunchpakket bewaarde ik altijd een boterham voor eventuele honger in de namiddag. Tijdens een bergwandeling zal ik nooit mijn veldfles helemaal leegdrinken. Op het laatste stukje van de route kun je immers nog je enkel verstuiken en dan heb je mooi een slokje in voorraad voor het geval je lang op hulp moet wachten. Ook heb ik altijd een extra trui bij me, voor plotseling invallende kou.

Of ik dan niet benepen leef? Ja, die vraag wordt me wel eens gesteld, meestal op meewarige toon. Ben ik eigenlijk niet een zielige tobberd? Dat hangt ervan af hoe je het bekijkt. Mijn buffers bezorgen me een gevoel van vrijheid. Zo blijf ik juist vrij van tobberijen. Ik zie mezelf als de mier in de fabel van LaFontaine. En ja, in mijn leven duiken ook geregeld krekels op. Bij onvoorzien oponthoud in het openbaar vervoer... ‘Zeg, heb jij soms een boterham voor me?’ Op tuinfeestjes waar plotseling een windje van zee opsteekt. ‘Heb jij misschien een vest ofzo?’ Tijdens kampeervakanties, als iedereen weer moet lachen over dat gemuts van Pennie met haar kratjes vol spullen. ’s Avonds geritsel bij mijn tent. ‘Hé Pen, heb je een luchtbedpompje? Een extra tentharing? Een elastiekje? Een knijper? Een aspirientje? Zaklampje over? Zeg, bedankt hoor. Als we jou toch niet hadden...’

Voordat jullie allemaal gaan mailen: je kunt bij mij altijd terecht voor een boterham of een slok water. En alles mag je van me lenen (behalve mijn man, laptop, piano en een paar boeken). Maar aan geld uitlenen begin ik niet. Zelfs niet tegen een aantrekkelijke rente. Ga maar naar de bank. Die kan het goed missen. Ik niet. Ik ben uitermate gesteld op mijn buffer. Voor mijn gevoel van vrijheid.

‘Jamaar, jamaar’, sjirpen mijn vriendinnen dan, ‘waarvóór dan toch, Pennie? Een doodshemd heeft toch geen zakken?’ Ja, er zitten subtiele types tussen, maar ik ben dan niks te beroerd om een en ander toe te lichten. Het zit namelijk zo. Ik heb een voorgevoel dat ik stokoud word. En dat is niet iets om je in alle opzichten over te verheugen. Want meestal geldt: hoe ouder, hoe krakkemikkiger. Tegen de tijd dat ik een eeuweling ben, zijn alle verpleeginrichtingen gesloten en zijn de AWBZ en WMO opgeheven en al lang vergeten. En dan komt dus mijn buffer in beeld. Daarvan huur ik lieve verpleegsters in die mij in mijn eigen huisje komen vertroetelen. Heerlijk, ik kan me er nu al op verheugen. Mmm, wat een lekkere toffee in mijn zak!

Waarvoor is jouw buffer bestemd?

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...