woensdag 27 november 2013

Wijs op woensdag: Het Nieuwe en het Oude niks



Gastblog van Pennie Wijs: Het Nieuwe en het Oude Niks

Consuminderen gaat gepaard met een andere hype: het Nieuwe Niks. Minder kopen is stap één. Dan volgt stap twee: minder bezitten. Want leven met minder bezit geeft ruimte in huis en rust in het hoofd. Alle overbodigheden moeten de deur uit: kleding, boeken, meubels, alles. Verkopen, weggeven, maakt niet uit hoe. Als je er maar vanaf komt. Dan kun je verder leven in de ban van de Cult of Less ofwel: het Nieuwe Niks. Ik las er pas een artikel over en moest onwillekeurig terugdenken aan het Oude Niks.

Mijn grootouders werden geboren rond de vorige eeuwwisseling, allebei in arme gezinnen. Ze leerden elkaar kennen in het jaar dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak. In de staart van die oorlog werd mijn opa opgeroepen voor de mobilisatie. Dat betekende geen werk en dus geen inkomen. Begin jaren twintig hadden ze wat spulletjes bij elkaar verzameld en konden ze trouwen. Toen de wereldwijde crisis van de jaren dertig uitbrak, hadden ze twee kleine kinderen en opa zat weer zonder werk. Op allerlei manieren probeerden ze hun kostje bij elkaar te scharrelen.

In de Tweede Wereldoorlog werd de situatie weer moeilijk qua werk en qua voedselvoorziening. In februari 1944 moesten ze hun huis verlaten omdat hun dorp en de wijde omtrek onder water werd gezet door de Duitsers. Tot het voorjaar van 1945 woonden ze bij familie, die ook onderdak bood aan andere evacués en onderduikers. Het zal duidelijk zijn dat het daar geen vetpot was. Toen het gezin weer terug kon keren had hun huis meer dan een jaar in het water gestaan. Het huisraad was onbruikbaar geworden en het was een hele klus om alle modder buiten de deur te krijgen. De muren waren doortrokken van vocht en heel langzaam, jaar na jaar, werd het huisje weer drooggestookt. In 1952 was al het vocht uit de muren weggetrokken en opa plakte er blij een behangetje op.

In de vroege ochtend van 1 februari 1953 werd er op de deur gebonsd. De dijken waren doorgebroken en het water stroomde inmiddels ook de polder binnen waar mijn grootouders woonden. Samen met buurtgenoten vluchtten ze weg voor het water. In mijn familie bleef iedereen gespaard, maar zesenvijftig dorpsgenoten verdronken die nacht. Toen opa en oma maanden later het gebied weer in mochten, was hun woonomgeving een grote ravage, de akkers waren overspoeld met zout water en hun huis bleek onbewoonbaar.

Hulporganisaties deelden dekens en andere goederen uit. Via de werkgever van opa kregen ze een woning toegewezen in een andere gemeente. En daar begonnen ze opnieuw. Weer met Niks. Vanaf toen ging het gelukkig beter. De kinderen gingen het huis uit. Opa had vast werk. In 1957 werd de AOW ingesteld. Er kwam een wasmachine in huis. In de jaren zestig kochten ze een koelkast. Ik was nog maar een klein kind, maar kan me goed herinneren hoezeer mijn oma hiermee in haar nopjes was. Van jongs af aan hoorde ik hoe goed ze het hadden. Hun AOW-tje, het heerlijke droge (huur)huisje, de mooie wollen dekens van de Zweden, het handige wasmachientje, de luxueuse koelkast en als klap op de vuurpijl: een kleurentelevisie.

Ik zie de indeling van het huisje nog zo voor me. Een eettafel met vier stoelen eromheen. Daarnaast het dressoir. Twee makkelijke stoelen met een laag tafeltje. De kolenkachel met het kledingrekje. De tv en een plankje boeken. En verder Niks.
Als ze over ‘vroeger’ vertelden ging het altijd over hoeveel geluk ze hadden gehad. Hoe goed ze de oorlog waren doorgekomen. Dat mijn oom gezond en wel was teruggekomen uit de Arbeitseinsatz. Dat mijn vader niet geraakt was tijden die beschieting toen hij naar school fietste. Dat die ene Duitser uiteindelijk toch niet schoot, toen opa weigerde zijn net geoogste fruit af te geven. Dat ze zo goed opgevangen waren tijdens de evacuaties. Dat ze niets, niets érgs hadden meegemaakt tijdens de Ramp.

Hun verhalen werden gekenmerkt door periode-aanduidingen als: voor de oorlog, in de oorlog, na de bevrijding, voor de Ramp en na de Ramp. Een familiegewoonte. Zo was ik een kind van ná de Ramp en van ná de oorlog. Als klein kind heb ik wel de naweeën van die grote gebeurtenissen in de geschiedenis meegemaakt. Een sober leven met alleen het hoognodige. We hadden Niks. Maar ook geen honger. En al snel werd alles beter en beter en beter. Mijn vader kocht een auto, bij mijn moeder in de keuken brak de culinaire revolutie van de jaren zestig uit. We gingen met vakantie naar de Veluwe of Drenthe. Daar waren opa en oma nog nóóit geweest.

Je zou zeggen dat mijn leven als consument tot nu toe één onderbroken opgaande lijn is geweest. Toch is dat niet zo. In 1972 werden wij als scholieren opgeschrikt door het rapport van de Club van Rome. Er zouden grenzen aan de groei komen! In 1973 brak de eerste oliecrisis uit. Mijn man en ik kochten in 1978 een huis en nog voor we de sleutel in het slot staken stortte de huizenmarkt in en dook ons huis diep onder water. Alleen was die uitdrukking in die periode nog niet in gebruik en ik zou hem ook nooit hebben dúrven gebruiken in gezelschap van al die mensen die weten hoe het is als je huis écht onder water staat. Begin jaren tachtig was er grote werkloosheid onder jongeren. Als je een schoolvriend tegenkwam was de eerste vraag: heb je werk? Begin deze eeuw kregen we een aantal malen geen loonsverhoging vanwege de recessie die volgde op de internetzeepbel. Sinds 2008 daalde de waarde van onze woning weer, daarna ook van ons pensioen. Op dit moment daalt zelfs de waarde van ons spaargeld en leef ik in de wetenschap dat ik pas AOW zal ontvangen na mijn zevenenzestigste verjaardag. Dát had mijn opa nog eens moeten horen.

En toch. Toch leef ik nu in een tijd waarin men zich bezighoudt met het Nieuwe Niks. We hebben zoveel spullen dat we de behoefte krijgen ze de deur uit te doen. Het geeft status als je niet meer tussen al die burgerlijke rimram bivakkeert. Woon je in een leeg huis, dan woon je chic. Ons wordt zelfs in alle ernst voorgesteld om eens een maand lang niets te kopen. Nou ja, niks niéuws. Om eens te kijken of je zo’n uitdaging kunt volbrengen. Dát had mijn oma nog eens moeten horen.

Ik weet niet zo goed wat ik van dat Nieuwe Niks moet denken. Ik voel me er nogal ongemakkelijk bij. Eerlijk gezegd vind ik het een beetje potsierlijk, dat Nieuwe Niks. Misschien omdat ik nog nét het staartje van het Oude Niks gekend heb. Maar ons collectieve geheugen is kort. Pas zei ik voor de grap tegen iemand die zich in mijn leeftijd vergiste: ‘Nee joh, ik ben van na de Ramp’. Niet begrijpend werd ik aangekeken. ‘Ramp? Welke ramp dan?’


Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...